20 oktober 2026

Je weet wel hoe dat gaat: je bent al jaren lid van een vereniging, je hebt er zelf gespeeld en nog steeds, en nu wordt je kind van zes ook lid. “Dan kun jij wel leider en trainer worden.” Daar kun je niet zo makkelijk onderuit en dat gebeurt dus ook niet. Later die week volgen er wat minimale instructies en daar sta je dan: leider en doordeweeks trainer, in dit geval van een voetbalteam. Dat trainen gaat allemaal wel, best leuk, proberen die jochies en soms ook meisjes wat bij te brengen. Meestal een heerlijke chaos waarbij de trainersambitie ook wel eens afzakt tot “ze lekker in beweging houden”.

En dan de wedstrijden. Op zaterdagochtend, voor dag en dauw, half negen, begint de wedstrijd. Thuiswedstrijden gaat dan nog wel, bij uitwedstrijden vroeg weg, en soms, als het niet doorgaat, zit je om kwart over zeven ’s ochtends al de krant te lezen.

Maar goed, meestal gaat het door, met wisselend succes. Is allemaal prima. Op een zaterdag komt de leeftijdscoördinator vlak voor de wedstrijd naar me toe: “Je hebt er een nieuwe bij, Joost, daar staat-ie”. Joost komt met zijn vader aangelopen en ik zeg beiden gedag. “Heb je er een beetje zin in Joost?”, vraag ik, vooral om hem een beetje op zijn gemak te stellen. “Ja hoor”, antwoordt Joost. “Ik ben spits.” “Da’s mooi, die hebben we nodig”, lach ik naar Joost en zijn vader.

Ondertussen schat ik Joost in. Hij is wat kleiner dan de andere jongens in het team en hij draagt een klein brilletje. Zou dat wel goed gaan, denk ik, want de tegenstander van vandaag lijkt gemiddeld wat forser dan onze jongens, en dus zeker steviger dan Joost. Ik besluit om het een beetje voorzichtig aan te doen met Joost. “Joost, we kijken even een kwartiertje hoe de wedstrijd gaat, en dan kom jij erin, oké?”

Het moment is daar: Joost komt erin. De eerste botsing is er direct al en Joost gaat naar de grond. Maar hij geeft geen kik, staat op en gaat verder. En dat zet zich voort: Joost blijkt voor niemand bang te zijn en kleunt er net zo stevig in als de grotere jongens van de tegenpartij. De wedstrijd eindigt, iedereen gaat een penalty nemen (Joost schiet hem er gewoon in) en we zijn klaar.

Ondertussen besef ik dat ik al over Joost oordeelde voordat hij iets had kunnen laten zien. Een vooroordeel dus. Nu heeft niemand daar iets van gemerkt, maar toch knaagt het een beetje. In een opwelling loop ik naar Joost en zijn vader toe en vraag ik of Joost een flesje limonade en een gevulde koek mag (het is nog te vroeg voor patat). “Dat doen we altijd voor nieuwe spelers”, zeg ik, behoorlijk bezijden de waarheid. Joost vindt het best en zijn ouders ook.

Mijn geweten is een beetje gesust, ik heb sorry gedacht, niet uitgesproken, wel iets gedaan. Voelt toch iets beter. Joost en zijn ouders hebben er niets van gemerkt, denk ik. Maar voortaan toch maar wat voorzichtiger zijn met vroeg oordelen.

Uw aller Arie-Leendert